De boer maakt dat het smaakt

Regelmatig verschijnen er ronkende verhalen over de land-en tuinbouw. Ik ken die verhalen uiteraard en ik kan ze waarderen: als zoon van een mengvoederhandelaar en schoonzoon van een landbouwkundig ingenieur ben ik opgevoed met respect voor boeren en tuinders. Ik werk bovendien in de sector.

Deze verhalen gaan vaak gepaard met een pleidooi voor groei. Op LinkedIn postte Aalt Dijkhuizen enkele weken geleden: “Krimp spant het paard achter de wagen.” In Het Financieele Dagblad (FD) van 6 januari 2018 schrijft Huub Fransen: “De oplossing zit niet in het verkleinen van de landbouw.”

Ik wil hier graag enkele kanttekeningen bij plaatsen. De wereldbevolking gaat de komende jaren verder stijgen tot bijna tien miljard mensen in 2050. Die bevolkingsgroei vindt vooral plaats in Afrika en – in iets mindere mate – in Azië. In Europa blijft de bevolking stabiel. In ons deel van de wereld is sprake van overvloed: ongeveer een derde van de voedselproductie wordt verspild.

Met de kennis en kunde die we in Nederland hebben ontwikkeld kunnen én moeten we ervoor zorgen dat er voldoende voedsel beschikbaar komt en blijft voor de gehele wereldbevolking. Maar is dat een uitdaging voor Nederlandse boeren en tuinders? Gaan we in Nederland varkensvlees en eieren produceren voor de Zuid-Afrikaanse markt? Of gaan we ervoor zorgen dat dáár de kennis en kunde beschikbaar komt om dáár te produceren?

In het FD breekt Huub Fransen een lans voor investeringen in technologie. Die biedt immers “oplossingen die het gebruik van grondstoffen terugdringen, ammoniakuitstoot van stallen verlagen of dierwelzijn verbeteren.” Die oplossingen bieden vooral antwoorden op druk vanuit de maatschappij. Boeren en tuinders behouden daarmee hun ‘license to produce’, ze geven daarmee invulling aan wat vaak dissatisfiers of hygiënefactoren worden genoemd. Dat zijn factoren die vooraf door je klanten worden verwacht. Je scoort er weinig pluspunten mee: je kunt er hooguit minpunten mee scoren. Het wrange van de betreffende investeringen is bovendien dat ze zelden worden terugverdiend door een hogere productprijs.

Wat mij betreft moet de land- en tuinbouw op zoek naar ‘satisfiers’, naar ‘motivatoren’. Dat zijn factoren die zorgen voor een goed gevoel bij consumenten. ZLTO zet in dat verband een geweldige stap: “Boeren hebben een oplossing.” Ik ben het daar helemaal mee eens, maar wat mij betreft mag ZLTO nog een stap verder gaan: met hun producten kunnen boeren en tuinders wezenlijk bijdragen aan ‘een gezond en gelukkig leven’. Dát zijn motivatoren, dáár worden consumenten blij van.

In West-Europa leven we in een ‘wereld van overvloed’. Tegen die achtergrond is een pleidooi voor het verhogen van de Nederlandse landbouwproductie moeilijk te verdedigen: waarom zouden we Nederlandse boeren en tuinders stimuleren om nóg ‘meer van hetzelfde’ te gaan produceren? Uitstekende producten? Zeker. Duurzaam en veilig geproduceerd? Uiteraard. Maar in veel gevallen ook onvoldoende onderscheidend waardoor boeren en tuinders – tegen beter weten in – meedoen aan de ‘race to the bottom’. En waarom zou ‘de maatschappij’ daar – letterlijk en figuurlijk – ruimte voor willen maken?

Natuurlijk mogen we trots zijn op de ontwikkelingen in de land- en tuinbouw: onze boeren en tuinders produceren duurzaam en efficiënt. Maar wat zou er gebeuren als we onze kennis en kunde nog meer inzetten om onderscheidende producten te ontwikkelen: malser, sappiger, smakelijker, kleurrijker, voedzamer en gezonder. Daarmee creëren we overtuigende satisfiers, motivatoren, daarmee geven we boeren en tuinders goede argumenten om te concurreren met boeren en tuinders uit andere landen, daarmee bieden we boeren en tuinders de kans om weg te blijven van de ‘race to the bottom’. Wat zou het geweldig zijn als de vraag naar Nederlandse komkommers stijgt, omdat nergens ter wereld zulke lekkere en voedzame komkommers worden geproduceerd. Dán heeft het zin om in meer komkommers te gaan produceren. Ik ben ervan overtuigd dat we daar – als maatschappij – met veel plezier ruimte voor bieden.

Onmogelijk? Vooruitstrevende boeren en tuinders bewijzen het tegendeel. Een vriend betaalt graag bijna negentig euro voor een kilo Wagyu vlees, “want malser vlees is er niet”. Zelf geniet ik elke keer weer van de dauwverse, knapperige spinazie uit Lierop en van de smaakexplosie van honingtomaten.

In deze voorbeelden maken de boeren en tuinders het verschil. Logisch, want de ‘boer maakt dat het smaakt’. Als boeren en tuinders meer gaan handelen vanuit die overtuiging wordt het perspectief voor de Nederlandse land- en tuinbouw nóg mooier.